| SAMENSTELLING |
|
 |
Hydrocortison. 20 mg - Lactos.- Gelatin.- Amyl.
Solan. - Talc. - Magnes. Stearas q.s. pro compres. uno.
EIGENSCHAPPEN
Hydrocortison of cortisol is
een glucocorticoïd hormoon van de bijnierschors; het heeft
ook een mineralocorticoïde werking (water- en zoutretentie),
die echter minder uitgesproken is dan die van aldosteron of desoxycorticosteron,
in een verhouding van respectievelijk ongeveer 1 op 3.000 en 1 op
100.
In suprafysiologische doses heeft hydrocortison anti-inflammatoire
en immunosuppressieve eigenschappen.
Farmacokinetiek.
Na orale resorptie wordt de piekplasmaspiegel na één
uur bereikt; de biologische halfwaardetijd bedraagt ongeveer 100
minuten en de eiwitbinding bedraagt 90%.
De biotransformatie grijpt hoofdzakelijk plaats
in de lever en in mindere mate in de nieren.
Hydrocortison wordt met de urine uitgescheiden, vooral in de vorm
van geconjugeerde glucoroniden.
INDICATIES 
- Primaire/Primitieve of secundaire bijnierinsufficiëntie
(ziekte van Addison, panhypopituïtarisme; surrenalectomie,
hypofysectomie).
- Adrenogenitaal syndroom en zeldzamere vormen van congenitale bijnierhyperplasie.
POSOLOGIE EN WIJZE VAN GEBRUIK
Bij bijnierinsufficiëntie vereist een
adequate compensatie algemeen genomen een dosis van 30 mg hydrocortison
per dag. Deze dosis wordt bij voorkeur als volgt toegediend: 20
mg 's morgens en 10 mg 's avonds, teneinde het circadiane ritme
te respecteren.
Bij stress (bijv. infectie, trauma, enz.) moet de
dosis gedurende de vereiste tijd (bijv. enkele dagen) minstens worden
verdubbeld. Bij ernstige stress (heelkundige ingreep onder algemene
anesthesie)moet hydrocortison of een ander glucocorticoïd I.V.
worden gegeven.
Bij een adrenogenitaal syndroom moet de hele dosis,
die nodig is om de secretie van ACTH te inhiberen, 's avonds (10
tot 40 mg naargelang de behoeften) worden gegeven.
Behalve bij korte behandelingen, de corticotherapie
nooit plots stopzetten maar steeds min of meer traag afbouwen naargelang
de duur van de behandeling, en onder strikte medische controle.
Bij een langdurige behandeling moet de minimale efficiënte
dosis op degressieve wijze worden bepaald; deze dosis hangt af van
de oorzakelijke aandoening.
| CONTRA-INDICATIES |
|
 |
De gebruikelijke contra-indicaties
voor de behandeling met corticoïden langs algemene weg zijn
niet van toepassing in het kader van een substitutietherapie met
corticoïden.
| ONGEWENSTE EFFECTEN |
|
 |
Bijwerkingen zijn vooral te vrezen
bij een langdurige behandeling of wanneer de fysiologische dosis
(30 mg per dag) wordt overschreden.
- water- en elektrolytenstoornissen: hypokaliëmische alkalose,
water- en zoutretentie met soms arteriële hypertensie en zelfs
congestieve hartinsufficiëntie.
- endocriene en metabole stoornissen: iatrogeen syndroom van Cushing,
verminderde glucosetolerantie (reversibel), diabetes (reversibel
bij normalisatie van de doses), groeistop bij kinderen,
onregelmatige menses.
- spier- en botstoornissen: spierzwakte
en -atrofie, osteoporose, pathologische fracturen, vooral wervelindeukingen;
aseptische necrose van de femurkop.
- gastro-intestinale stoornissen: maag- en duodenumulcera (eventueel
met bloeding of perforatie), uitzonderlijk acute pancreatitis.
- huidstoornissen: acne, hypertrichose, ecchymosen, purpura, vertraagde
heling.
| BIJZONDERE VOORZORGEN |
|
 |
Aangezien het een substitutietherapie betreft,
moeten over het algemeen geen bijzondere voorzorgsmaatregelen worden
genomen. Maar bij toediening van hogere doses gedurende een zekere
tijd moeten het glucosegehalte, de arteriële bloeddruk en het
serumkaliumgehalte worden gecontroleerd en moet toezicht worden
gehouden op het optreden van eventuele infectieuze complicaties
(door bacteriën, Koch-bacil of gisten).
Tijdens de periode van overdosis moeten vaccinaties worden vermeden
en moet eventueel een antituberculeuze profylaxe worden toegediend.
Natrium- en glucoserestrictie kan tijdelijk noodzakelijk zijn.
| ZWANGERSCHAP EN BORSTVOEDING |
|
 |
De dosis hydrocortison moet worden aangepast aan
de fysiologische behoeften van de zwangere vrouw of de vrouw die
borstvoeding geeft; deze behoeften kunnen verhoogd zijn. Deze fysiologische
aanpassing kan gebeuren op geleide van een dosering van het ACTH
en de cortisolurie.
| INTERACTIES |
|
 |
Interacties komen enkel voor
bij therapeutische overdosis:
Af te raden combinaties:
Erythromycine I.V; sultopride, vincamine wegens het risico op 'torsades
de pointes' (dit wordt bevorderd door hypokaliëmie, evenals
bradycardie en een voorafbestaand lang QT-interval).
Combinaties waarbij voorzorgsmaatregelen
genomen moeten worden:
- Anti-aritmica die torsades de pointes veroorzaken:
o Bepridil, bretylium, disopyramide, sotalol en amiodaron:
o Dit wordt bevorderd door hypokaliëmie, evenals bradycardie
en een voorafbestaand lang QT-interval. Monitoring van het ECG en
met name van het QT-interval: in geval van torsades, geen anti-aritmicum
toedienen (electrosystolische pacing).
- Digitalis:
o Hypokaliëmie werkt de toxische effecten van digitalis in
de hand.
- Andere kaliumverlagende middelen:
o Verhoogd risico op hypokaliëmie (door additief effect).
In al deze gevallen, het serumkaliumgehalte en eventueel
het ECG controleren en zo nodig de hypokaliëmie corrigeren.
- Acetylsalicylzuur:
o Gezien de daling van de salicylaatspiegel tijdens de behandeling
met corticoïden en gezien het risico op salicylaatoverdosis
na stopzetting van de corticotherapie (corticoïden verhogen
de eliminatie van salicylaten) moet de dosis van het salicylaat
tijdens de combinatie en na stopzetting van de corticoïden
worden aangepast.
- Orale anticoagulantia en heparine (parenteraal):
o Verergering van het risico op bloedingen eigen aan corticotherapie
(maag-darmmucosa, (kwetsbare) bloedvaten), in hoge doses of bij
een behandeling langer dan 10 dagen. Wanneer de combinatie gerechtvaardigd
is, het toezicht verhogen.
- Insuline, metformine, glucoseverlagende sulfamiden:
o Gezien de stijging van het bloedglucosegehalte met soms ketose
(corticoïden verminderen de tolerantie voor koolhydraten) moet
de patiënt worden gewaarschuwd en moet de zelfcontrole van
de bloed- en urinespiegels worden opgedreven.
o De dosis van het antidiabeticum tijdens en na de stopzetting van
de behandeling met corticoïden eventueel aanpassen.
- Fenobarbital, fenytoïne, primidon, rifampicine
(enzyminductoren):
o Verminderde doeltreffendheid van de corticoïden (verhoging
van het katabolisme van de corticoïden). De patiënt klinisch
en biologisch opvolgen, de dosis van de corticoïden, tijdens
de combinatie en na de stopzetting van de enzyminductor eventueel
aanpassen.
Combinaties waarbij rekening gehouden moet worden:
- antihypertensiva:
vermindering van het antihypertensief effect (water- en zoutretentie
door corticoïden).
- alfa-interferon:
risico op inhibitie van de werking van interferon.
- levende verzwakte vaccins:
risico op een eventueel dodelijke veralgemeende ziekte. Dit risico
is hoger bij patiënten die door de onderliggende ziekte reeds
immunogedeprimeerd zin. Een geïnactiveerd vaccin gebruiken,
wanner dit bestaat (polimyelitis).
| OVERDOSERING |
|
 |
Een acute overdosis houdt geen
klinische risico's in.
Chronische overdosis kan een syndroom van
Cushing teweegbrengen (zie"Ongewenste effecten").
| BEWARING |
|
 |
Bij kamertemperatuur (15°C
tot 25°C) bewaren.
DE GENEESMIDDELEN BUITEN HET BEREIK VAN KINDEREN
BEWAREN.
Houdbaarheid : zie vervaldatum op de verpakking
(EX: maand - jaar = uiterste gebruiksdatum.)
De vervaldatum is de eerste dag van de aangeduide maand.
| FARMACEUTISCHE VORM, TOEDIENINGSWEG
EN VERPAKKING |
|
 |
HYDROCORTISONE ERFA: gleuftabletten van 20 mg.
Doos met 20 tabletten.
| AFLEVERING |
|
 |
Op medisch voorschrift.
|